mitswa

mannelijk/vrouwelijk (de)/mɪtsˈwa/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. gebod
  2. goede daad
  3. erefunctie in de synagoge
  4. begrafenis (Portugees-Israëlitisch)

Etymologie

* Herkomst: Hebreeuws

Vertalingen

Engelsmitzvah, mitzva