moeite

vrouwelijk (de)/ˈmuitə/

Wat is de betekenis van moeite?

moeite betekent: een grote inspanning

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een grote inspanning

Voorbeelden van "moeite" in een zin

  • Met veel moeite werd het einddoel gehaald.
  • Ik nam een selfie (voor de Southern Terminus), deed met veel moeite mijn rugzak om, draaide mijn neus richting Canada en begon te lopen.
  • 'In elk geval hoeven we vandaag niet zo ver,' zegt Lot, die merkt dat het me moeite kost.

Betekenis en uitleg van moeite

Het woord 'moeite' verwijst naar de inspanning of moeite die je doet om iets te bereiken. Het kan zowel fysieke als mentale inspanning omvatten en duidt vaak op een bepaalde mate van toewijding aan een taak of doel.

Je gebruikt 'moeite' meestal wanneer je het hebt over de inspanning die je levert voor iets dat niet vanzelf gaat. Het woord kan ook een nuance van frustratie of teleurstelling impliceren, bijvoorbeeld als je veel moeite hebt gedaan maar het resultaat tegenvalt. Daarnaast kan 'moeite' ook een positieve connotatie hebben, zoals in de zin dat het de moeite waard was.

Voorbeelden

  • Hij heeft veel moeite gedaan om de deadline te halen.
  • Ze vond het de moeite waard om een extra uur te studeren voor het examen.
  • Na al die moeite was hij teleurgesteld over het resultaat.

Woordoorsprong

Het woord 'moeite' is afgeleid van het Middelnederlandse 'moeite', dat vergelijkbaar is met het Oudnederlands 'moiti'.

Veelgestelde vragen over moeite

Wat is de betekenis van moeite?

moeite betekent: een grote inspanning

Welk woordgeslacht heeft moeite?

moeite is een vrouwelijk (de).

Hoe gebruik je moeite in een zin?

Voorbeeld: “Met veel moeite werd het einddoel gehaald.

Etymologie

* van moeien

Uitdrukkingen

  • de moeite niet waard zijnonbelangrijk zijn
  • Het loont de moeite.Het is de moeite waard.
  • moeite doen voorzich erg inspannen
  • moeite hebben met iets of iemandiets of iemand lastig vinden

Vertalingen

Engelseffort, trouble, attempt
Franspeine, effort
DuitsMühe
Spaansafán, esfuerzo
Zweedsmöda, besvär
Deensumage, besvær