mof
mannelijk (de)/mɔf/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (scheldwoord) Duitser, met name veel gebruikt om te verwijzen naar de Duitse bezetter ten tijde van de Tweede WereldoorlogHij geloofde ze net zomin als de propaganda aan het begin, toen bijvoorbeeld werd beweerd dat de kogels van de moffen zo zacht waren dat ze onder daverend gelach van de Franse regimenten als beurse peren op hun uniform te pletter sloegen. {{Aut|Lemaitre, Pierre
zelfstandig naamwoord
- (kleding) met bont gevoerde koker om de handen warm te houdenEen mof om je handen in te steken.Straks ga ik uit met een arreslee, vandaar mijn laarzen en de bonten mof in mijn schoot, maar nu poseer ik even voor de vriend van mijn broer, een fotograaf, hij wil met me trouwen, staat hier om de haverklap, ik weet zelfs niet hoe hij heet of waar hij woont.
- (kleding) (historisch) losse, wollen mouw, gebruikt als armbekledingDe meisjeskleding bestaat uit een japon van half zwart, half rood laken met korte mouwen, binnenshuis aangevuld met zwarte of witte gebreide moffen, een mutsje en een wit linnen omslagdoek (voor oudere meisjes) of een grote witte boezelaar (voor de kleintjes).
- (techniek) koker om twee buizen in hun lengterichting op elkaar aan te sluitenBij een houtskelet wordt de luchtdichtheid meestal gerealiseerd door middel van OSB-platen. Loodrecht op de doorboringen zal ze, net zoals voor de wanden in metselwerk, kunnen worden gerealiseerd door tijdens de plaatsing van de leidingen een soepele mof te plaatsen.
- (techniek) verwijd uiteinde van een buis waarin een aansluitende buis pastDe mof van een buis.
zelfstandig naamwoord
- (bouwkunde) soort grote metselsteenDe woning is gebouwd van oude Brugse moffen en gedekt met Romaanse pannen, vloeren, muren en dakisolatie, dubbele beglazing rondom, meranti kozijnen en deuren.
Etymologie
*[C] uitspraakvariant van "mop"
Vertalingen
Engelskraut, muff
Fransboche, manchon
DuitsPiefke
Spaansmanguito
PoolsSzwab
Deenspølsetysker
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek