mokka

mannelijk (de)/ˈmɔka/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. eerste kwaliteit koffieboon vernoemd naar de Jemenitische stad Mokka
  2. drinken (drinken) mokkakoffie
  3. drinken (drinken) crème, stijve room met koffie-extract

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘beste kwaliteit koffie’ voor het eerst aangetroffen in 1606

Vertalingen

Spaanscafé moka, moca, moka