monarch
mannelijk (de)/moˈnɑrᵊx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- alleenheerserDe hoogbejaarde monarch kampt sinds oktober, toen ze kort in het ziekenhuis werd opgenomen, met een broze gezondheid en mobiliteitsproblemen. Sindsdien heeft ze verschillende afspraken moeten afzeggen of digitaal vanuit huis bijgewoond. Vorige week liet ze nog verstek gaan bij haar troonrede.
- (vlinders) monarchvlinder
Etymologie
*via Middelnederlands "monarcha" of """ via laat Latijn "monarcha" van "μονάρχης" (monárchès), in de betekenis van ‘oppervorst’ aangetroffen vanaf 1480
Vertalingen
Engelsmonarch
Spaansmonarca
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek