monocultuur
vrouwelijk (de)/ˈmonokʏɫˌtyːr/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (landbouw) landbouw met één gespecialiseerd gewasOp bananenplantages wordt vaak gewerkt met monoculturen.
- (sociologie) eenzijdige samenstelling van mensen, producten of diensten binnen een samenlevingVele dictatoriale regimes maken gebruik van een monocultuur op het vlak van bepaalde diensten.
Etymologie
*Afgeleid van cultuur (teelt) .
Vertalingen
Engelsmonoculture, monoculture
Fransmonoculture
DuitsMonokultur
Spaansmonocultivo
Italiaansmonocoltura
Portugeesmonocultura
Poolsmonokultura
Zweedsmonokultur
Deensmonokultur
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek