monoftong

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈmonɔfˌtɔŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. taalkunde (taalkunde) de benaming voor één enkele klinker die de nucleus vormt van een lettergreep
    Het overgaan van een monoftong in een diftong wordt diftongering genoemd.

Etymologie

*Afkomstig van het Oudgriekse μονόφθογγος ()

Vertalingen

Engelsmonophthong
Fransmonophtongue
DuitsMonophthong
Italiaansmonottongo
Russischмонофтонг
Poolsmonoftong
Zweedsmonoftong