monoliet

mannelijk (de)/ˌmonoˈlit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. zuil uit een stuk

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘bouwdeel uit één stuk steen’ voor het eerst aangetroffen in 1847

Vertalingen

Engelsmonolith
Fransmonolithe
DuitsMonolith
Spaansmonolito
Italiaansmonolito
Russischмонолит
Japansモノリス
Zweedsmonolit
Deensmonolit