monovolume

vrouwelijk (de)/ˈmonovoˌlymə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. autotechniek (autotechniek) bepaald type grote personenauto die van achteren even hoog blijft doorlopen zonder afgescheiden bagageruimte

Etymologie

*via "monovolume" of direct van "monovolume", omdat door het ontbreken van een afgescheiden kofferbak de binnenkant één grote ruimte vormt