montuur
/mɔnˈtyr/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- de houder waarin bijv. edelstenen e.d. worden gevatDe diamant is van het montuur losgeraakt.
- (optica) de houder waarin brillenglazen zijn gevatEen bril met een randloos montuur is onopvallend.
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘inlijsting van een bril’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1913
Vertalingen
Engelsframe
DuitsFassung
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek