montuur

/mɔnˈtyr/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de houder waarin bijv. edelstenen e.d. worden gevat
    De diamant is van het montuur losgeraakt.
  2. optica (optica) de houder waarin brillenglazen zijn gevat
    Een bril met een randloos montuur is onopvallend.

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘inlijsting van een bril’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1913

Vertalingen

Engelsframe
DuitsFassung