mooiigheid

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het fraai zijn van iets
    De zee was ongetwijfeld nog even blauw als ten tijde van de oude Grieken, maar het was de ordinaire, witgekwaste schuit die het decor lelijk maakte van mooiigheid.
    We zoeken het te vaak in de mooiigheid: in de stenen en het groen van een met droefenis gevulde Klokkenplas, of in wijdse ideeën die in het niets oplossen.
  2. iets dat heel fraai is

Etymologie

* afleiding van mooiig