mooiprater

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand die uit eigenbelang, met vriendelijke praatjes, zaken mooier en beter voorstelt dan ze in werkelijkheid zijn
    Het is schering en inslag: keurig geklede personen die met een mooi verhaal geld aan vooral bejaarde vrouwen ontfutselen. In Hengelo was het drie keer achter elkaar raak en werden vrouwen van 85, 82 en 79 jaar slachtoffer van een mooiprater. Tubantia Loes Schutte 04-08-11 [https://www.tubantia.nl/overig/mooipraters-kloppen-geld-uit-de-zak~a9b227fb/ Mooipraters kloppen geld uit de zak]
    Er werden foto’s uit de oude doos getoond en beelden van het huwelijk van Elisabeth en Stijn Saelens in een kasteel in Frankrijk. ‘Stijn kon het goed uitleggen. Een mooiprater. Hij had geen respect voor mensen’, zegt Van Poucke. ‘Toch bleef André hem beschouwen als zijn zoon.’ De Standaard 27/02/2018 door cel [http://www.standaard.be/cnt/dmf20180227_03379978 ‘Documentaire’ over dokter Gyselbrecht in rechtszaal]
    Een opgewonden Turkse schreeuwlelijk die hier landjepik probeert te spelen en onze eigen Polderlandse mooipraters die woensdag zoveel mogelijk blauwe stoeltjes willen veroveren op het Binnenhof. De Telegraaf 14 mrt. 2017 [https://www.telegraaf.nl/vrij/1328307/tand-des-tijds Tand des tijds]

Etymologie

* van mooipraten

Vertalingen

Engelsfawner, toady, flatterer