mossel
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈmɔsəl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (tweekleppigen) (voeding) , een eetbaar tweekleppig schelpdier
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘weekdier’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1253
Vertalingen
Engelsmussel
Fransmoule
DuitsMuschel
Spaansmejillón
Italiaansmitilo
Portugeesmexilhão
Turksmidye
Poolsmałż
Deensmusling
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek