mosterd
mannelijk (de)/ˈmɔstərt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (plantkunde) een of meer kruisbloemige planten met gele bloemen van het geslacht (gele mosterd) of (zwarte mosterd) of (Sareptamosterd) of (Ethiopische mosterd)
- (voeding) (specerij) pittige kruiderij bereid uit gemalen mosterdzaad, zout en azijn
Etymologie
* Middelnederlands: mostard, mostart, mostert. Afkomstig van het Oudfranse mostarde. In de betekenis van ‘kruiderij van gemalen mosterdzaad’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Uitdrukkingen
- Mosterd na de maaltijd — Een te late maatregel, ofwel: een voorstel dat of oplossing die pas komt als het niet meer nodig is
- Dat ruikt naar de mosterd — Dat is erg duur (of: dat is heidens)
- Iemand door de mosterd halen — Iemand op duidelijke wijze te kennen geven wat hij/zij fout gedaan heeft
- Weten waar Abraham de mosterd haalt — Weten hoe iets in elkaar zit, diepgaande kennis over iets hebben (zie ook: Abraham)
Vertalingen
Engelsmustard
Fransmoutarde
DuitsSenf
Spaansmostaza
Italiaanssenape
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek