muil

mannelijk (de)/mœyl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bek van een groot dier, vooral gebruikt bij roofdieren
    De leeuw hield zijn prooi in zijn muil.
  2. dysfemisme (dysfemisme) mond van een persoon
    Hou je grote muil!
  3. iets dat wijd open staat en alles verslindt
    Voor het eerst kan de mensheid recht de gapende muil van één van de meest indrukwekkende monsters uit de kosmos inkijken: het zwarte gat in het centrum van sterrenstelsel Messier 87, een beest met de overweldigende massa van 6,5 miljard zonnen. de Volkskrant George van Hal 10 april 2019 [https://www.volkskrant.nl/wetenschap/astronomen-maken-eerste-foto-van-een-zwart-gat~b4f63b86/ Astronomen maken eerste foto van een zwart gat]
zelfstandig naamwoord
  1. schoeisel (schoeisel) bepaald soort schoeisel dat eenvoudig is aan te doen, met onbedekte hiel en zonder hak, veelal deftig en vooral bedoeld om binnenshuis te dragen
    Het is erg in de mode muiltjes te dragen.
    ‘Ah, nou, maar het is anders een prachtig verhaal’ reageerde hij met een brede grijns. ‘De mooie onderdrukte maagd die naar het koninklijk paleis komt, de jaloerse stiefzusters, het glazen muiltje dat niet past...’
    Alle staatslieden moesten muilen dragen.
zelfstandig naamwoord
  1. veeteelt (veeteelt) kruising tussen een paard en een ezel
    {{ouds

Etymologie

*[C] van Latijn "mulus" "muildier", aangetroffen vanaf 1240

Vertalingen

Engelsmuzzle, mule, mule
Fransgueule, mule, mule
DuitsMaul, Maultier
Spaansfauces, babucha, mulo
Portugeesbabucha, mulo, mula
Russischпасть, тапок, мул