mus

mannelijk (de)/mʏs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. zangvogels (zangvogels) benaming voor vogels uit de familie , behorend tot de wevervogels die zelden ver van de mensen nestelen
    Wij hebben vaak mussen in de achtertuin.

Etymologie

*via Middelnederlands "mussche" en "muska" van laat Latijn "muscio", in de betekenis van ‘zangvogel’ aangetroffen vanaf 901

Uitdrukkingen

  • Zich verblijden met een dode musBlij zijn met iets onbeduidends [https://www.dbnl.org/tekst/stoe002nede01_01/stoe002nede01_01_1632.phpv1582 www.dbnl.org]
  • iemand blij maken met een dooie mus
  • de mussen vallen (dood) van de dakenhet is heel warm

Vertalingen

Engelssparrow
Fransmoineau, passereau
DuitsSpatz
Spaansgorrión
Italiaanspassero
Portugeespardal, pássaro
Zweedssparv
Deensspurv