muts
vrouwelijk (de)/mʏʦ/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (hoofddeksel) hoofddeksel van textiel zonder harde randZet je muts op! Het vriest buiten.Zo'n 96 procent van alle klussen is inmiddels ingevuld. Het gaat dus om ‘de laatste wapperende handen’, laat Van der Herberg weten. Ook kan de stichting nog nieuwe, zachte handdoeken gebruiken. Mooi verpakt met een touwtje of strikje eromheen. Die worden dan meegegeven in de pakketten. Vorig jaar ging het om gebreide mutsen en sjaals. Een ‘warm extraatje’, bij de levensmiddelen. Tubantia Marco van den Berg 06-12-18 [https://www.tubantia.nl/zwolle/vijftig-vrijwilligers-en-zachte-handdoeken-nodig-voor-zwolse-kerstpakkettenactie~a0749293a/ Vijftig vrijwilligers en zachte handdoeken nodig voor Zwolse kerstpakkettenactie]Soms ook gehuld in een schapevacht, een ruige muts op het hoofd en een ketting in de hand. Of verkleed als duivels... 'Zijn hier ook stoute kinderen? ??
- (biologie) netmaag, een van de vier magen van herkauwers
- (biologie), (informeel) volkse benaming voor vagina
- (scheldwoord) een scheldwoord voor een vrouw ('trut')Die bemoeizuchtige, oude muts moest ook een voornaam hebben, maar zij had hem nog nooit gehoord.
- (scheldwoord) een onhandige of domme vrouwDat ik de grootste muts van de hele school ben is al erg genoeg.
Etymologie
* Leenwoord uit het middeleeuws Latijn, in de betekenis van ‘hoofddeksel’ voor het eerst aangetroffen in 1373
Vertalingen
Engelscap, bonnet
Fransbonnet
DuitsMütze
Spaansgorro, bonete
Italiaansberretto
Russischшапка
Turksbaşlık
Zweedsmössa
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek