Dit woord is niet gevonden in de woordenlijst.

mutsdrager

mannelijk (de)/ˈmʏtsdraɣər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand met hoofddeksel van textiel zonder harde rand
    Omdat het ook niet geheel duidelijk was of deze mutsdrager wel op het plein stond, of om twee uur net aan het oversteken was, heeft de jury uiteindelijk besloten deze muts niet mee te tellen.
    Op die plaats echter moeten de mutsjes wel rood zijn daar de mutsdragers in de sneeuw, hier ‘witte pracht’ genoemd (…) dwalen.
  2. dierkunde (dierkunde) benaming voor weekdieren uit de klasse , die merendeels zijn uitgestorven
    Binnen de weekdieren worden acht klasses onderscheiden: de schildvoetigen (Caudofoveata), de wormmollusken (Solenogastres), de keverslakken (Polyplacophora), de mutsdragers (Monoplacophora), de tweekleppigen (Bivalvia), de stoottanden (Scaphopoda), de slakken (Gastropoda) en de inktvissen (Cephalopoda).
  3. figuurlijk (figuurlijk) verliefde man
    Vervolgens (…) wordt stilgestaan bij het uiterst dwaze gedrag van de mutsdragers (…), de verliefden, dat tegen hen én de muts pleit.

Etymologie

**[3] van de uitdrukking de muts dragen, "als man verliefd zijn"