nadruk

mannelijk (de)/'nadrɵk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een bijzondere aandacht die besteed wordt
    Hij legde de nadruk op de goede afwerking ervan.
    ' 'Als ik iedereen binnenlaat die bevriend zegt te zijn met juffrouw Bosman ' De bewaker legt de nadruk op het woord 'bevriend' alsof hij betwijfelt dat Thea zo'n vriendschap zou kunnen hebben.
    De meest doeltreffende manier om de grondrechten meer nadruk te geven is het toekennen van de toetsingsbevoegdheid.
  2. een latere druk van een oude uitgave

Etymologie

* Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘klemtoon’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1672

Vertalingen

Engelsemphasis