nageboorte
vrouwelijk (de)/ˈnaː.ɣəˌbor.tə/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (religie) (verouderd) de generatie die later ter wereld is gekomen, het nageslacht
- (anatomie) (verouderd) embryonale vlies, chorion
- (anatomie) de moederkoek, navelstreng en vliezen die het lichaam van de moeder verlaten nadat de baby is geborenWaarom offeren Nederlanders voor mooi weer worst en Vlamingen eieren? En wat deden boeren zoal met de nageboorte van een paard? De kaartencollectie van het Meertens Instituut laat het zien. de Standaard 10 MAART 2014 Hilde Van den EyndeIn de spetterende regen banjert Ingrid op haar klompen door de plassen op het erf, waar de nageboorte van het nieuwe kalfje nog ligt. Ze schuilt onder een druipend afdakje en tuurt over de glooiende weide. Zo ver je kunt zien, rijkt het boerenland van Johan. "Mooi hè." Tubantia 30-08-2016
Etymologie
*[2][3] Leenvertaling van Duits "Nachburt", , aangetroffen sinds 1608, oorspronkelijk in de betekenis van secundinae of chorion, de “vlies die het kind in de baarmoeder hult” , later uitgebreid tot het geheel van de moederkoek, vliezen en navelstreng dat met de geboorte van de baby naar buiten komt.
Vertalingen
Engelsafterbirth
Fransarrière-faix
DuitsNachgeburt
Spaansalumbramiento
Portugeessecundinas
Zweedsefterbörd
Deensefterbyrd
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek