naglans

mannelijk (de)/ˈnaɣlɑns/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. indirect licht dat nog zichtbaar blijft nadat een lichtbron niet meer direct zichtbaar is
    De naglans van de zon, die nu gans onder was, brandde nog in het verschiet met een dofrode gloed tussen de verre stammen en reeds spanden de licht-schommelende kruinen, die soms zuchtten onder een nauw voelbaar briesje, zich tot een ondoordringbaar-somber nachtgewelf ineen.
  2. figuurlijk (figuurlijk) gunstig beleefde uitstraling van iets dat voorbij is
    De heidense oudheid was voor hen niet minder aantrekkelijk dan de christelijke Middeleeuwen – beide model van een wereld waarin poëzie, religie en samenleving nog een harmonieuze eenheid vormden. Dat ideaal (waarvan we op Pinkpop nog de naglans kunnen opvangen) week niet zoveel af van wat Heine zelf voor ogen stond.