narcisme

onzijdig (het)/nɑrˈsɪsmə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. psychologie (psychologie) een teveel aan eigenliefde, egoïsme, dominantie, ambitie, en een gebrek aan inlevingsvermogen
    In de VS circuleert een tweetal petities met deze strekking: Trump heeft een psychische stoornis en daarom is hij ongeschikt voor het ambt van president. De petities zijn inmiddels door honderden psychiaters en psychologen ondertekend. Wat dat over hen zegt? Niet veel goeds. Wat allereerst opvalt, is dat de shrinks het maar niet eens kunnen worden over het ziektebeeld. Trump lijdt aan een kwaadaardige vorm van narcisme, zegt het ene groepje. Nee, hij heeft last van paranoia, beweert de andere club. Maar nee toch, betoogt het derde smaldeel, hij is een pathologische leugenaar. Hij vertoont een demente aftakeling, meent weer een vierde groep. Wat is het nou? [https://www.nrc.nl/nieuws/2017/03/10/psychiaters-kunnen-beter-hun-mond-houden-over-trump-7290458-a1549748 NRC Harald Merckelbach 10 maart 2017]

Etymologie

*(eponiem), van "Narzissmus", op te vatten als afgeleid van Latijn "Narcissus" dat teruggaat op "Νάρκισσος" (Narkissos), een die verliefd raakte op zijn eigen weerspiegeling; in de betekenis van ‘liefde voor zichzelf’ voor het eerst aangetroffen in 1933

Vertalingen

Engelsnarcissism
Fransnarcissisme
DuitsNarzissmus