narcose
vrouwelijk (de)/nɑrˈkozə/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (medisch) een kunstmatige algehele verdovingDe dokter bracht de patiënt onder narcose, zodat hij niets van de operatie zou voelen.
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘verdoving’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1898
Vertalingen
Engelsnarcosis
Fransanesthésie, narcose
DuitsNarkose
Spaansnarcosis, anestesia
Italiaansanestesia, narcosi
Poolsnarkoza
Zweedsnarkos
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek