nattigheid

vrouwelijk (de)/ˈnɑtəxˌhɛit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het vochtig zijn van iets m.n. grond, lucht, weer en jaar getijde
    „De winter was zacht en het voorjaar nat”, zegt Sylvia van Leeuwen. Van Leeuwen is secretaris van de Nederlandse Malacologische Vereniging. „Dat maakte 2016 een goed jaar voor naaktslakken, die van schaduw en nattigheid houden.” Maar ook van Leeuwen heeft geen cijfers. NRC Lucas Brouwers 26 september 2016

Etymologie

*afgeleid van nattig

Uitdrukkingen

  • nattigheid voelenbemerken/bespeuren dat er iets mis dreigt te gaan, of dat er iets raars/verkeerds aan de hand is

Vertalingen

Engelsdamp, wetness
Franshumidité, mouillure
DuitsFeuchtigkeit, Nässe