natuurvriend

mannelijk (de)/naˈtyrvrint/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. persoon (persoon) iemand die genoegen beleeft aan het buiten bestuderen van wilde planten en dieren
    Hij ontstak in woede toen ik hem vroeg of het lokfluiten waren voor jagers. Ze zijn gemaakt voor natuurvrienden die vogels willen lokken om ze goed te kunnen bekijken, zei hij. En als een natuurvriend een vos van dichtbij wil zien? Dan moet hij een fluit nemen die het geluid maakt van een wanhopig konijntje. Die maken de Fransen niet, maar Amerikanen wel.