Dit woord is niet gevonden in de woordenlijst.

o.v.t.t.

/ˈɔɱvɔlˌtojtfərˌledə(n)tuˌkoməndəˌtɛit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. grammatica (grammatica) vorm van een werkwoord die uitdrukt dat iets vanuit een eerder tijdstip gezien pas later zou gebeuren, samengesteld door een persoonsvorm van "zouden" met de onbepaalde wijs van het werkwoordAangezien het uitgangspunt om de tijdsverhoudingen te bepalen hier het verleden is, spreekt men over een "verleden toekomende" tijd.
    In "Ik verheugde me vorig jaar op de zomervakantie, omdat ik naar Italië zou reizen" is "zou reizen" de o.v.t.t. van "reizen".

Etymologie

*(initiaalwoord) van onvoltooid verleden toekomende tijd

Vertalingen

Engelsconditional tense, future-in-the-past
Fransconditionnel