oehoe
mannelijk (de)/ˈuhu/
Wat is de betekenis van oehoe?
oehoe betekent: (uilen) een van de grootste uilen ter wereld, en vermoedelijk de op een na grootste uilensoort na de Blakistons visuil. De wetenschappelijke naam van de soort werd als Strix bubo in 1758 gepubliceerd door Carl Linnaeus. De vogel heeft zijn naam te danken aan zijn roep. Vooral in de late winter laat het mannetje zijn imposante "oehoe"-roep horen
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (uilen) een van de grootste uilen ter wereld, en vermoedelijk de op een na grootste uilensoort na de Blakistons visuil. De wetenschappelijke naam van de soort werd als Strix bubo in 1758 gepubliceerd door Carl Linnaeus. De vogel heeft zijn naam te danken aan zijn roep. Vooral in de late winter laat het mannetje zijn imposante "oehoe"-roep horen
tussenwerpsel
- geluid dat een oehoe, , maakt
- (informeel) gebruikt om iemands aandacht te trekken
Voorbeelden van "oehoe" in een zin
- Een oehoe kan muizen vangen.
Etymologie
* Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘uilachtige’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1809
Vertalingen
EngelsEurasian eagle-owl, eagle-owl
Franshibou grand-duc, hibou d'Europe, grand-duc
DuitsUhu
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek