ogen
/ˈoɣə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (intr) de aanblik hebben vanDat oogde beter dan het was.
- aandachtig kijken naar, staren naar
Etymologie
*: "oog" met de uitgang -en
Vertalingen
Engelslook, appear
Duitsaussehen
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek
*: "oog" met de uitgang -en