ogief

onzijdig (het)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bouwkunde (bouwkunde) kruisboog van een gotisch gewelf, waarvan de uitspringende armen, de welfribben of graten, elkaar diagonaalsgewijs in de top kruisen
  2. bouwkunde (bouwkunde) Bij uitbreiding ook gezegd voor de eveneens gotische spitsboog of puntboog

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘spitsboog’ voor het eerst aangetroffen in 1440

Vertalingen

Spaansojiva