ogief
onzijdig (het)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bouwkunde) kruisboog van een gotisch gewelf, waarvan de uitspringende armen, de welfribben of graten, elkaar diagonaalsgewijs in de top kruisen
- (bouwkunde) Bij uitbreiding ook gezegd voor de eveneens gotische spitsboog of puntboog
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘spitsboog’ voor het eerst aangetroffen in 1440
Vertalingen
Spaansojiva
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek