omtrek

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈɔmtrɛk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. wiskunde (wiskunde) de lengte van een gesloten kromme
    De omtrek van een cirkel bedraagt 2π maal de straal.
  2. grenslijn.
  3. omvang van een lichaam
  4. het gebied rondom een bepaalde plaats
    Dat is in de wijde omtrek niet te vinden.
    Veel keus had ik echter niet, want het was soms het enige water in de wijde omtrek.

Etymologie

* In de betekenis van ‘hoofdlijn die grenzen van een figuur bepaalt’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1586

Uitdrukkingen

  • In de wijde omtrek.

Vertalingen

Engelsperimeter
DuitsUmfang, Umriss, Umfang
Spaanscircunferencia, perímetro
Poolsobwód