onaangenaamheid

vrouwelijk (de)/ɔnˈaŋɣənamhɛit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. vermogen een negatief gevoel te veroorzaken
    Justitie moet snel kunnen straffen en de straf moet als onaangenaam worden ervaren. Nu ontbreekt het zowel aan snelheid als onaangenaamheid.
  2. iets wat een negatief gevoel veroorzaakt
    De reeks atoomproeven, de beslissing de dienstplicht af te schaffen, de kandidatuur van Jean-Claude Trichet voor het presidentschap van de nieuwe Europese centrale bank, het waren evenzovele verrassingen voor een onthutste Duitse kanselier die dit allemaal onvoorbereid over zich heen moest laten gaan. Na de laatste onaangenaamheid, de onduidelijkheid over de Frankfurtse ambtstermijn van Duisenberg, sloten Chirac en Kohl in Avignon overigens uitbundig vrede.

Etymologie

*afgeleid van "onaangenaam"