onbereikbaarheid

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de mate waarin men ergens fysiek niet bij kan komen
    De hemel werd blauw en stralend en beantwoordde zijn vragende blik met eenzelfde tederheid, maar ook met eenzelfde onbereikbaarheid.
  2. het ergens niet mee kunnen communiceren; het onbenaderbaar zijn
    Werknemers in de gehandicaptenzorg hoeven buiten werktijd niet meer te reageren op berichtjes en telefoontjes van hun baas. Dat staat in hun nieuwe cao, waarin voor het eerst in Nederland het recht op onbereikbaarheid is vastgelegd.
    De hulpdiensten hebben nooit geoefend met een totale onbereikbaarheid van het alarmnummer 112. De politie achtte de kans dat die situatie zich zou voordoen minimaal, schrijft minister Grapperhaus aan de Tweede Kamer. Volgens Grapperhaus werd gedacht dat de KPN-systemen genoeg "fall-backvoorzieningen" hadden.

Etymologie

* afleiding van onbereikbaar