onbetrouwbaarheid

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het niet te vertrouwen zijn van iets of iemand
    Een van de advocaten schreed majestueus naar de microfoonstandaard voor de verdediging en begon een lange klaagzang over de wetenschappelijke incompetentie, bewezen partijdigheid en daarmee wraakbaarheid, twijfelachtige onderzoeksethiek en algemene onbetrouwbaarheid van de getuige.

Etymologie

* afleiding van onbetrouwbaar