onmisbaarheid

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de mate waarin men niet zonder iets kan
    Juist de redacteuren en gastheren van talkshows en literaire programma's hadden de neiging je beste vriend uit te hangen en je onmisbaarheid voor nou juist dit item te bezingen - althans, zolang de medewerking nog niet definitief was toegezegd.
    Het Eibergse dorpshart gaat op de schop. Op de plek van de voormalige verfwinkel Kiffen ontstaat een nieuw parkeerterrein dat de onmisbaarheid van het plein de Brink als centrale parkeerplaats moet compenseren. Mét een doorgang naar De Hagen.
  2. iets waar men niet zonder kan

Etymologie

* afleiding van onmisbaar