onthechtheid

vrouwelijk (de)/ɔntˈhɛxthɛit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het niet gebonden zijn aan (onbelangrijke, aardse) zaken
    Ze kon nog steeds Fraisses stem horen, die zijn gewone sereniteit en onthechtheid hervonden had.

Etymologie

*afleiding van ontheemd