onthechtheid
vrouwelijk (de)/ɔntˈhɛxthɛit/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- het niet gebonden zijn aan (onbelangrijke, aardse) zakenZe kon nog steeds Fraisses stem horen, die zijn gewone sereniteit en onthechtheid hervonden had.
Etymologie
*afleiding van ontheemd
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek