ontploffen

/ɔntˈplɔfə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. erga (erga) plotseling sterk uitdijen en tegelijkertijd desintegreren, vaak in combinatie met een explosie
    Die bom ontplofte te laat om de gehate dictator te doden.
    Het leek alsof er een bom was ontploft want er lag van alles op de grond om hen heen.
    Er gebeurden rare dingen in me wanneer we daar achter een paar struiken stonden en elkaar streelden zonder dat ze ook maar één keer mijn handen weghaalde. Het was niet alleen dat mijn hartslag toenam en ik een erectie kreeg, het was alsof ik werd opgepompt als een autoband en elk moment kon ontploffen.
  2. figuurlijk, informeel (figuurlijk), (informeel) plotseling erg kwaad worden
    Ik ontplofte toen ik dat zag.

Etymologie

*Afgeleid van ploffen