ontsporen

/ɔntˈsporə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. erga (erga) uit het aangelegde spoor geraken
    Op de Maasvlakte bij Rotterdam is een goederentrein ontspoord.
  2. intr, figuurlijk (intr) (figuurlijk) mislukken, zich vergalopperen, op het verkeerde pad raken
    Ik maakte vóór mijn trip vaak de grap dat ik zodra mijn oudste dochter ontspoorde direct naar huis zou komen.
    Ze reageerde altijd verontwaardigd ‘Waarom ik altijd? Mijn zusje kan ook ontsporen hoor!’ Maar zolang alles goed en gezond bleef aan beide kanten van de oceaan kon ik met een gerust hart doorlopen.

Etymologie

*Afgeleid van spoor

Vertalingen

Fransderail, dérailler
Duitsentgleisen
Spaansdescarrilar