onverdeeldheid
vrouwelijk (de)/ˌɔɱvərˈdelthɛɪt/
Wat is de betekenis van onverdeeldheid?
onverdeeldheid betekent: toestand waarin iets een eenheid vormt
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- toestand waarin iets een eenheid vormt
- (juridisch) toestand waarin bepaald bezit nog niet opgedeeld is over de verschillende rechthebbenden
Voorbeelden van "onverdeeldheid" in een zin
- Eensgezind volgen bewindslieden van VVD en PvdA „de lijn dat het verstandig is daar nu niet op vooruit te lopen”, zoals de woordvoerder van een minister het omschrijft. Daar houdt de onverdeeldheid binnen het kabinet ook meteen op. Want de coalitiepartijen zijn het fundamenteel oneens over het fenomeen referendum én de gevolgen van een nee-stem tegen het associatieverdrag.
Etymologie
**[2] als leenvertaling van "indivision"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek