onwennigheid

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de mate waarin men (nog) niet goed met iets kan omgaan; de mate waarin men iets (nog) niet kan doen
    De aankondiging van de nieuwe liturgie riep dit jaar wisselende reacties op. "Sommige mensen zien het als erkenning, maar er zijn ook mensen die het moeilijk vinden. Dit kan zijn uit onwennigheid, geloofsovertuiging of omdat ze bijvoorbeeld zelf een kind hebben dat transgender is", zegt Hettema.
  2. iets dat men niet gewoon is te doen of te ervaren

Etymologie

* afleiding van onwennig