oorzaak

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈorzak/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. datgene wat noodzakelijk en voldoende is om een zeker gevolg te hebben
    Ze wisten niet dat ik een zoon had die in coma lag en dat ik de confrontatie zou aangaan met de vrouw die daar de oorzaak van was.
    Zulke magnetische trillingen zouden de oorzaak kunnen zijn van de ongehoord hoge temperatuur van de corona - één tot twee miljoen graden.

Etymologie

*afgeleid van zaak

Vertalingen

Engelscause
DuitsUrsache
Spaanscausa, causante