opbouw
mannelijk (de)/ˈɔbɑu/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- het opbouwen (-> opbouwdrank, pensioenopbouw)
- hoe iets is samengesteld, de samenstellingde opbouw van het hart/ het verhaal etc.
- (bouwkunde) (scheepvaart) bouw, structuur, constructie geplaatst bovenop een bestaande (romp)hij plaatste op zijn Amsterdamse huis een hele mooie opbouw
Etymologie
*(nomact) van "opbouwen" zonder het achtervoegsel -en
Vertalingen
DuitsAufbauarbeit
Spaansconstrucción, estructura
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek