opbouw

mannelijk (de)/ˈɔbɑu/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het opbouwen (-> opbouwdrank, pensioenopbouw)
  2. hoe iets is samengesteld, de samenstelling
    de opbouw van het hart/ het verhaal etc.
  3. bouwkunde, scheepvaart (bouwkunde) (scheepvaart) bouw, structuur, constructie geplaatst bovenop een bestaande (romp)
    hij plaatste op zijn Amsterdamse huis een hele mooie opbouw

Etymologie

*(nomact) van "opbouwen" zonder het achtervoegsel -en

Vertalingen

DuitsAufbauarbeit
Spaansconstrucción, estructura