opbreken

/xxxx/

Betekenis

werkwoord
  1. erga (erga) de tenten afbreken en optrekken
    Zij braken op van den berg Hor.Num 33:41
  2. ov (ov) een weg ~: de grond openen voor werkzaamheden
    Je zult een blokje om moeten, want ze hebben onze straat opgebroken.
  3. onpr (onpr) duur te staan komen
    Het zal hem nog opbreken dat hij daar geen aandacht aan geschonken heeft.

Etymologie

*hier komt de etymologie van het woord-->

Vertalingen

Duitsaufbrechen