opendeurdag

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een kennismakingsdag bij een instelling, zoals een school of een overheidsinstituut, of bij een bedrijf, stichting of organisatie waar meestal geen kosten aan verbonden zijn
    Terwijl vanuit Tielt het nieuws kwam dat alles nu helemaal ok is en er trots opendeurdagen werden gehouden, zijn er nu opnieuw beelden vrijgegeven van Animal Rights over een ander slachthuis. Deze keer zijn het runderen en ligt het slachthuis in Izegem, maar de beelden zijn hetzelfde: dieren worden mishandeld, slecht verdoofd en lijden pijn. de Standaard 13 september 2017 edm
    Een vriendin die in de gevangenis werkt, vertelde me dat lang niet alle reacties op dit soort projecten positief zijn. Bij de opendeurdag die de Nieuwewandeling ter ere van haar 150-jarig bestaan organiseerde, mopperden sommige bezoekers over de ‘luxe’ (lees: televisie) in de cel, hoe overbevolkt die cel verder ook is. NRC Annelies Verbeke 20 december 2012