operator

mannelijk (de)/ˌopəˈratɔr/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. wiskunde (wiskunde) symbool waarmee een functie [3] wordt aangeduid die een bepaalde bewerking uitvoert op één of meer operanden
    Een wiskundige operator.
  2. beroep, techniek (beroep), (techniek) bedieningsvakman voor grote technische installaties in allerlei fabrieken en dergelijke, in het bijzonder in de procesindustrie, bedieningsdeskundige
  3. bedrijfskunde, techniek (bedrijfskunde), (techniek) een bedrijf dat grote technische installaties beheert

Etymologie

* van opereren

Vertalingen

Spaansoperador, operador