opheffing

vrouwelijk (de)/ˈɔphɛfɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het opheffen, optillen (gezegd van het menselijk lichaam)
  2. figuurlijk (figuurlijk) de afschaffing van iets
    De opheffing van de slavernij heeft in veel landen pas plaatsgevonden in de 19de eeuw.
  3. figuurlijk (figuurlijk) de beëindiging van iets
    Meer dan 100 jaar na de oprichting was er de opheffing van de vroeger zo grote politieke partij.

Etymologie

*[1] Leenvertaling van kerkelijk Latijn "elevatio" (corporis) “het optillen, de opheffing van het lichaam (van Jezus Christus)”.

Vertalingen

Engelslifting, lifting
Franslevage, levée, levée
DuitsAufheben, Aufhebung, Aufhebung
Spaanslevantamiento, levantamiento