opofferingsgezindheid

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de mate waarin men bereid is het eigen belang opzij te zetten om iemand anders te helpen
    De voormalige onderduikkinderen wijzen erop dat zulke moed en opofferingsgezindheid nu niet aan de orde zijn. "Nederland loopt nu geen risico en hoeft niets op te geven om de alleenstaande vluchtelingenkinderen die gestrand zijn in de Griekse kampen te helpen, bijvoorbeeld door 500 van hen op te nemen. Alles wat van dit land wordt gevraagd is medeleven en heel gewone, menselijke barmhartigheid."

Etymologie

* afleiding van opofferingsgezind