opperzaal

mannelijk/vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. hoger gelegen zaal in een deftig huis
    Eindelijk bracht men hem in de opperzaal van het Prinsenhof.
    Deze heren waren in een opperzaal tegen de straat: van tijd tot tijd gingen zij bij het venster en blikten met afgrijzen op de beenhouwers welke voor de deur lagen, als een hoop wolven die hun prooi afwachten.

Etymologie

* afleiding van zaal