oprit

mannelijk (de)/ˈɔprɪt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. verkeer (verkeer) een toegangsweg tot een grotere weg
    Hij koos de verkeerde oprit en kwam op de zuidelijke snelweg terecht.
  2. verkeer (verkeer) een omhoog hellende weg naar een brug e.d.
    Die oprit kan 's winters flink glad wezen.
  3. een stuk weg tussen de openbare weg en het huis om de auto te parkeren of als toegang tot een garage
    Parkeer je wagen maar op de oprit.

Etymologie

* hier komt de etymologie van het woord-->