opsluiting

vrouwelijk (de)/ˈɔpslœytɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het opsluiten
  2. bouwkunde (bouwkunde) het vastzetten van een aantal verbonden delen van een bouwwerk, van bestrating
  3. afsluitende rand om bestratingen
  4. techniek (techniek) keg of wig waarmee voorwerpen verbonden worden