opsluiting
vrouwelijk (de)/ˈɔpslœytɪŋ/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- het opsluiten
- (bouwkunde) het vastzetten van een aantal verbonden delen van een bouwwerk, van bestrating
- afsluitende rand om bestratingen
- (techniek) keg of wig waarmee voorwerpen verbonden worden
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek