opspelen

/xxxx/

Betekenis

werkwoord
  1. intr (intr) op een vervelende manier ergens wat van merken
    Na de ruzie met zijn vrouw speelde zijn maag weer op.
  2. intr (intr) uitvaren, zich heftig uiten
  3. ov (ov) een kaart spelen bij een kaartspel
    Hij speelde zijn kaarten op, met de mededeling dat alle slagen door hem gehaald zullen worden.

Etymologie

* In de betekenis van ‘op zijn poot spelen, razen’ voor het eerst aangetroffen in 1806