opspelen
/xxxx/
Betekenis
werkwoord
- (intr) op een vervelende manier ergens wat van merkenNa de ruzie met zijn vrouw speelde zijn maag weer op.
- (intr) uitvaren, zich heftig uiten
- (ov) een kaart spelen bij een kaartspelHij speelde zijn kaarten op, met de mededeling dat alle slagen door hem gehaald zullen worden.
Etymologie
* In de betekenis van ‘op zijn poot spelen, razen’ voor het eerst aangetroffen in 1806
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek